Van 5 tot 11 mei nodigde het Actieplatform Palestina vijf
partners uit, afkomstig van Palestina en Israël. Elke partner is gespecialiseerd
op een bepaald terrein. Samen vertegenwoordigen ze zo een aantal belangrijke
facetten van de Palestijnse en Israëlische samenleving: landbouw, vakbond,
vrede, jeugd en vrouwen.
Hasan Barghouti
van onze partner DWRC (Democracy and Workers’ Rights Centre) is een oude bekende
en kwam uitleg geven over de syndicale beweging in Palestina. Wij profiteerden
van zijn bezoek om hem een paar vragen te stellen.
Had de oorlog in Irak een invloed op de werking van jullie
organisatie?
Er is
wel een politieke impact. Als de VS menen wat ze zeggen en de bevolking willen
bevrijden en helpen om een democratische staat in Irak tot stand te brengen, dan
kan dat positief zijn. Dat zal ook een oplossing van het Palestijns-Israëlische
conflict bespoedigen.
Maar
wij hebben een dubbele zorg. Wat de VS nu vooral nodig hebben, is rust in het
Midden-Oosten, zodat ze hun eigen agenda daar kunnen afwerken. Zo wordt er
ondertussen al gesproken over een vrijhandelszone tussen de VS en het
Midden-Oosten. Een echte oplossing van het probleem van de Palestijnen,
interesseert Amerika volgens mij minder. De road map die de VS voorstelt
maakt daarom veel kans om langzaam te verwateren zoals de Oslo-akkoorden.
Of
misschien wordt een oplossing met geweld opgedrongen. En als het Irakese
volk in opstand komt tegen de Amerikanen en de Britten, dan hebben de VS
helemaal geen belang bij een snelle oplossing van ons conflict. Want dan hebben
ze de steun van Israël nodig om de regio onder controle te houden, en hebben ze
er dus geen belang bij om dat land onder druk te zetten om toegevingen te doen!
Op onze eigen
werking in Palestina had de oorlog geen onmiddellijke invloed. Maar voor de
ruimere regio opent de nieuwe situatie in Irak misschien wel mogelijkheden, voor
wie bekommerd is om syndicale en sociale thema’s. Wij zijn lid van een regionaal
overleg met sociale en democratische Arabische organisaties. Er waren al
relaties met vertegenwoordigers van het Irakese volk. Wat gaan we doen in Irak
na de oorlog? Moeten we een soort DWRC in Irak oprichten? Met dat soort vragen
zijn we nu bezig.
Veel hangt dus af
van de plannen van de Amerikanen in Irak.
Is
de aanstelling van Abou Mazen (Mahmoud
Abbas)
tot
eerste minister een goeie zaak?
Israël zal deze premier alleszins niet steunen. Ze hebben hem al op voorhand
veroordeeld. Nog voor zijn aanstelling was goedgekeurd door het Palestijnse
parlement, werd hij al verantwoordelijk gesteld voor een aanslag in Israël, en
werd gezegd ‘dat hij gezakt was voor de eerste test’. Onmiddellijk na zijn
aanstelling werd Gaza-stad aangevallen, daarbij viel een tiental slachtoffers.
Maar
los daarvan kan Abou Mazen een tegengewicht vormen voor de almacht van Arafat.
Dat is een goeie zaak voor de democratisering van onze samenleving en al wie
daarvoor ijvert, bijvoorbeeld de NGO’s. Hij heeft de afgelopen drie jaar de
reputatie opgebouwd van iemand die luistert naar kritiek, en die de corruptie
aanklaagt.
Hoe belangrijk zijn de solidariteitsdelegaties en observatiemissies van
buitenlanders?
Die
zijn zeer belangrijk. De deelnemers zien de situatie met hun eigen ogen. Zij
hebben ontmoetingen met Palestijnen en Israëli’s die naar een vredelievende
oplossing streven. En na hun terugkeer vertellen ze in eigen land over hun
indrukken.
Door
die bezoeken en contacten integreren wij ons als DWRC een stukje in de
internationale gemeenschap. Dat is erg belangrijk voor ons.
Een ander voordeel
is dat mensen met extremistische standpunten zich gematigder gaan opstellen. De
leider van Hezbollah bijvoorbeeld riep onlangs zijn leden op om hun politiek
discours te veranderen, en om niet zomaar de VS en de Europese landen aan te
vallen. Er zijn immers ook veel Amerikanen en Europeanen die tegen de oorlog in
Irak protesteerden.
En de
Israëlische bevolking is erg gevoelig voor de publieke opinie in Europa. In
Israël gaan meer en meer stemmen op om het vredeskamp te versterken. Niet alleen
het extremisme, maar ook het aantal vredesgroepen groeit. Zij verdienen alle
steun.
Is
de eis van een Palestijnse staat naast een Israëlische staat slechts een
tussenstap naar één democratische staat in de regio?
(zucht en denkt lang na) Kijk, als een dromer kies ik ook voor één staat waarin
iedereen gelijke rechten heeft. Een andere droom zou een federatie van Palestina
met Israël zijn.
Maar
in dit stadium is dat irrealistisch. Het zionisme (het streven naar een joodse
nationale staat) moet eerst verdwijnen als ideologie. Maar een meerderheid in
Israël denkt nog steeds zionistisch.
Op
korte termijn moeten de VN-resoluties worden toegepast, zoals bijvoorbeeld de
terugtrekking van het Israëlische leger uit de bezette gebieden. De
vluchtelingen moeten kunnen terugkeren, de nederzettingen in de bezette gebieden
moeten ontmanteld worden, en er moet een rechtvaardige oplossing komen voor
Jeruzalem, waarop beide volkeren aanspraak maken!
Tussen 15 en 23 februari nam onze algemeen secretaris
Annuschka deel aan een observatiemissie van het Actieplatform Palestina. Ze
gingen de situatie peilen in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever.
Verslag van een ooggetuige.
Elke
dag weer zien we de vreselijke beelden uit het Midden-Oosten op de TV. Tanks in
het centrum van Jenin. Vernielde huizen in Gaza-stad. Een uitgebrande bus in Tel
Aviv. Het went niet echt, maar we blijven er toch niet altijd bij stilstaan.
Dat verandert als je er zelf bent. Want dan worden de
televisiebeelden echte beelden en krijgen de vele slachtoffers plots een naam en
een familie.
In Nabloes worden we ontvangen door dokter Alam van de
gezondheidsorganisatie UPMRC. Hij komt net terug van een veldhospitaal en
vertelt: “Vannacht is het Israëlische leger de oude stad van Nabloes
binnengedrongen. Totnogtoe vielen er 1 Palestijnse dode en 11 gewonden. Het
dodelijk slachtoffer werd om 3 uur deze morgen in het been geraakt. Hij verloor
teveel bloed omdat de ambulance er niet bij mocht.”
Sinds het begin van de tweede Intifadah op 28 september 2000
vielen er in de regio van Nabloes meer dan 460 Palestijnse doden en meer dan
3000 gewonden. Het overgrote deel van de slachtoffers zijn ongewapende burgers,
de overigen zijn met geweren gewapend. Ze voeren een hopeloze strijd tegen de
tanks en gevechtshelikopters van de Israëlische bezetter. Bijna dagelijks
arresteerde het leger inwoners van de grootste stad van de Westbank, moordde het
en bezette het huizen. In Nabloes was er vorig jaar meer dan 100 dagen lang
uitgangsverbod.
Terwijl we op het kantoor van UPMRC met dokter Alam praten
rinkelt de telefoon. Net buiten de oud stad wordt een huis bezet door
militairen. Twee families werden bijeengedreven in één kamer, de inboedel van de
andere kamers werd kort en klein geslagen. We beslissen om samen met enkele
medewerkers van UPMRC te gaan onderhandelen met de militairen om de bewoners
vrij te laten.
Voor het huis staan twee jeeps. We staan met onze rug naar
een tank die zijn loop op de oude stad gericht houdt. Binnen liggen er wel
twintig gewapende soldaten te slapen, met het machinegeweer op hun buik. Enkele
vrouwen en hun kinderen krijgen toestemming om het huis te verlaten. De andere
familie besluit om te blijven. Een oud vrouwtje wordt op een witte terrasstoel
naar buiten gedragen. Ze zit in elkaar gedoken en jammert. Ze is in shock. Wij
zijn woedend, maar kunnen niks meer doen.
Dan maar naar het veldhospitaal in het midden van de oude
stad. De winkels zijn dicht, de luiken van de huizen gesloten. Hier en daar
komen we groepen jongeren tegen die soms veel kabaal maken en soms met stenen
gooien. Het uitgangsverbod trotseren is hun verzetsdaad.
Wij blijven dicht bij mekaar en proberen geen bruuske
bewegingen te maken die de Israëlische militairen zouden kunnen verontrusten. We
draaien een straatje naar links en staan plots oog in oog met enkele Israëlische
soldaten. Ze staan verdekt opgesteld in een lage, donkere deuropening. De
medicijnen die we mee hebben verlenen ons jammer genoeg geen doorgang, zodat we
op onze stappen moeten terugkeren en een andere weg zoeken. We lijken wel
personages in een gewelddadig videospel.
Op de
terugtocht naar de auto vragen verschillende mensen onze hulp. Iemand wil weten
wat er met zijn broer is gebeurd. Hij zou gearresteerd zijn en zijn huis
opgeblazen. Een grootmoeder en een moeder van een éénjarig jongetje komen met
ons mee om het kindje te gaan ophalen in een huis waarvoor soldaten hebben
postgevat. In een naburige winkel zit een oude man opgesloten sinds de soldaten
voor de deur hebben postgevat. Onze vraag of hij met ons mee mag wordt
uiteindelijk positief beantwoord.
We ronden onze dag in Nabloes af met een bezoek aan de
intensive care van het stedelijke hospitaal. Er liggen drie mensen die
vandaag gewond zijn geraakt. Links ligt een jongen die de loop van een geweer
tegen zijn neus kreeg gedrukt. De soldaat heeft de trekker overgehaald. Rechts
ligt een ambulancier die werd neergeschoten terwijl hij gewonden trachtte weg te
brengen. En in het midden ligt een stervende man. Hij is geraakt in zijn longen.
De dag in Nabloes staat voor altijd in mijn geheugen gegrift.
Zo’n wreed en zinloos geweld. En dat blijft daar maar duren …
Het Actieplatform Palestina organiseert regelmatig
observatiereizen naar Palestina. Jij kan ook mee. Bel 02/ 501 67 44 en vraag
naar Mirjam Vanbelle.
Het Actieplatform Palestina
Het APP is een samenwerkingsverband van NGO’s, vredes- en
solidariteitsorganisaties in Vlaanderen.
Het APP
roept op om een einde te
maken aan de Israëlische bezetting van Palestina
ijvert voor het naleven van
het internationaal recht en steunt de gerechtvaardigde eisen van het
Palestijnse volk en de Israëlische vredesorganisaties.
Het APP
organiseert de boycot van
Israëlische landbouwproducten
levert sprekers en
vormingsmateriaal voor groepen die aandacht willen geven aan de
Midden-Oostenproblematiek
Het APP en FOS
FOS is een actief lid van het
APP. Onze algemeen secretaris, Annuschka Vandewalle, is er voorzitter van en
de secretariaatsleden van het APP huizen in de kantoren van FOS.
Voor meer informatie: surf naar
www.11.be/Palestina of bel 02/552 03 14
en vraag naar Stefaan Peirsman.
18 april is de nationale feestdag in Zimbabwe, op
die dag werd het land in 1980 immers onafhankelijk.
Twintig jaar later zucht Zimbabwe onder een zware
economische crisis. Dat is onder meer een gevolg van de sancties tegen het
regime van president Mugabe die de repressie tegen de oppositie tegen zijn
bewind almaar opvoert. En ook de drastische landhervorming loopt niet echt vlot.
In 1980 was de helft van de landbouwgrond van een blanke minderheid. En nu
hebben de meeste blanke boeren hun boerderij verlaten, al dan niet gedwongen.
Hun toekomst is onzeker.
Evert Waeterloos, landencoördinator voor FOS in
Zimbabwe, maakte onlangs de balans op met Ann Rootveld van Radio1.
Evert: Je hebt in de laatste 20 jaar een
overheidspolitiek gehad die grote commerciële boeren eerst vrijwillig land deed
inleveren op de landmarkt, en dan na 1992 een aanzet deed tot het onteigenen van
commerciële boerderijen. Doel was om tot een herverdeling van het landbouwland
te komen, waar de grootschalige boerderijen van 15 miljoen ha tot 6 miljoen ha
zouden gereduceerd worden en dus dat land te herverdelen onder 300 tot 350 000
zwarte kleinschalige boerenhuishoudens.
Hoe ver staat het daar nu meer dan 20 jaar
later mee?
Het is heel langzaam gegaan in de eerste 15 jaar
na de onafhankelijkheid van Zimbabwe. En dan heb je sinds 1997 een grondige
versnelling. Maar vooral sinds 2000 heb je het zogenaamde Fast Track Land
Reform Program, dus een versneld onteigeningsproces waar duidelijk een
politieke agenda achterstak. Je had namelijk de parlementaire en presidentiële
verkiezingen in die periode, waar ZANU PF, de regeringspartij o.l.v. Mugabe,
duidelijk de land-kaart heeft getrokken om op een versnelde manier een hele
schare - vooral rurale - stemmers achter zich te krijgen. Natuurlijk is dat op
zo’n drastische manier gegaan dat het vaak een gewelddadig proces is geweest.
De laatste jaren is het dan plots allemaal heel
snel gegaan?
Ja inderdaad, in juli 2000 heb je de officiële
uitroeping van het Fast Track Land Reform Program en in oktober 2002 heb
je eigenlijk het officiële einde daarvan. Dus officieel zou 11 miljoen ha
onteigend zijn en herverdeeld aan een 350.000 families van kleinschalige zwarte
boeren.
Heel veel van die boeren zouden het hun beloofde
land nog steeds niet gekregen hebben. Een nieuwe – zwarte - elite zou zich de
beste gronden toe-eigenen, zo wordt gezegd.
Het is duidelijk dat je heel wat nepotisme hebt
gehad, heel wat bevoordeling van mensen uit de partijkaders, van mensen die
voldoende lokale macht konden uitoefenen om zich de beste gronden toe te
eigenen. In het andere luik van het landherverdelingsprogramma zou meer de
aandacht uitgaan naar kleinschalige arme boeren. Maar door een gebrek aan
infrastructuur en landbouwvoorlichting zitten heel wat mensen die inderdaad een
stuk grond hebben bezet of toegewezen gekregen, in een weinig benijdenswaardige
positie. Ze zitten namelijk zonder enige link met de markten waarvoor ze nu die
landbouwproductie zouden moeten bedrijven.
Hoe neemt de overheid die hindernissen,
stuurt de overheid bij?
Wel, ik denk dat de overheid zich inderdaad
stilaan realiseert dat het nodig is om een inventaris op te maken van de huidige
situatie en een aantal dingen recht te trekken, zoals bijvoorbeeld
corruptiepraktijken op lokaal niveau tot in de hoogste echelons van de ZANU PF
partij. Door stemmen van op het terrein, stemmen van binnen de partij en
duidelijk ook door de oppositie tegen de landhervorming. Dus ik denk dat er
inderdaad wel een beetje beweging zit binnen de partij zelf, omdat er duidelijk
ook een link bestaat met de bedreigde positie waarin de ZANU PF zich voor het
eerst bevindt sinds de onafhankelijkheid. Die dreiging komt van een toch wel
sterk gesteunde oppositie, vooral in de stedelijke gebieden dan. Daar moet dus
op een of andere manier een compromis gesloten te worden tussen een elegant
bijsturen en het blijven aangeven en duiden van de tekortkomingen zoals die
bestaan in het hele proces van de landhervorming tot dusver.
Onderschrift foto: Phnom Penh,
Cambodja — De bus vertrekt en enkele
arbeidsters gritsen nog snel een boekje mee van de Cambodian Labour
Organisation. Het tijdschrift is enorm populair. Voor de meeste van de
tweehonderduizend arbeiders is het veruit de belangrijkste bron van
informatie. Op school leren ze niets over arbeidsrecht en de werkgever doet
alsof het arbeidswetboek niet bestaat.
Samen met zijn partner Michèle vertrok Eric Willemaers dit
voorjaar om dit nieuwe kantoor op te starten. Voordien werkte Eric als
regioverantwoordelijke Azië op het FOS-kantoor in Brussel, en had zodoende het
nieuwe programma in Cambodja voorbereid.
Oorlog
Na de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Franse kolonisator in
de jaren ’40 en ‘50, gevolgd door Amerikaanse inmenging en bombardementen
tijdens de oorlog in Vietnam, ging de Cambodjaanse bevolking gebukt onder de
gruwel van de Rode Khmer. Onder leiding van Pol Pot werd de bevolking gedwongen
de door het maoïsme geïnspireerde ‘agrarische revolutie’ vorm te geven. Maar
liefst 2 miljoen mensen, of zowat een derde van de toenmalige bevolking, stierf
in die periode 1975-1978 door ondervoeding, ziekte of executie. De ‘bevrijding’
door het Vietnamese leger begin 1979 zorgde voor enige verbetering, maar ook
voor een embargo tegen Cambodja door diverse landen uit het Westen en Azië.
Met de vredesonderhandelingen begin jaren ’90 en het
VN-overgangsbestuur kon de bevolking eindelijk hopen op beterschap. Helaas
duurde het tot 1998, na twee verkiezingen en een tussentijdse machtsgreep,
alvorens er eindelijk enige politieke stabiliteit kon worden bereikt.
Cambodja was en is nog steeds één van de armste landen van
Azië. In 2002 stond het 130ste gerangschikt op de 173 landen tellende Human
Development Index van de UNDP. Het gemiddeld inkomen per hoofd van de
bevolking is slechts € 280 per jaar. Hierdoor leeft zowat 40% van de bevolking
onder de armoedegrens van een halve euro per dag. De armoede en gebrekkige
ontwikkeling hebben ertoe geleid dat Cambodja bijzonder afhankelijk is van
bilaterale en multilaterale donoren en internationale NGO’s.
Al
sinds het einde van de jaren ’80 heeft FOS projecten en lokale organisaties
gesteund in Cambodja. In die beginperiode werd Cambodja nog getekend werd door
de burgeroorlog tussen de centrale regering en de rebellen van de Rode Khmer.
FOS richtte zich in de beginjaren nog hoofdzakelijk op landbouwprojecten en
gemeenschapsontwikkeling.
CLO
In de tweede helft van de jaren ’90 ontstonden een aantal
lokale NGO’s die niet zozeer technische bijstand leveren, maar wel de bevolking
trachten te organiseren in vertegenwoordigende organisaties die opkomen voor de
noden en rechten van hun doelgroepen. Dit was onder andere het geval met CLO, de Cambodian Labour Organisation, een NGO die opkomt voor betere
arbeidsomstandigheden en ondersteuning biedt aan de jonge bedrijfsvakbonden en
hun federaties, vooral in de belangrijke textiel- en confectiesector.
In diezelfde periode werd het FOS-programma nog
nadrukkelijker gericht op de ondersteuning van lokale basisorganisaties in
plaats van eigen projecten of lokale NGO’s. In Cambodja zijn basisorganisaties
van bijvoorbeeld arbeiders of boeren echter veeleer een recent fenomeen.
Bovendien is er, gezien de ervaring van de Cambodjanen met bepaalde vormen van
‘volksorganisaties’, behoorlijk wat angst en weerstand onder de lokale bevolking
om zich in te schrijven in ‘collectieve’ initiatieven.
Vandaar dat de rol van ondersteunende lokale NGO’s in de
FOS-sectoren nog steeds cruciaal blijft. Zo was CLO partner van FOS in het
vorige programma en zal dit ook in de komende jaren blijven. Daarnaast zal FOS
ook rechtstreekse ondersteuning leveren aan vakbonden.
In de sector landbouw neemt de visserij een belangrijke
plaats in. Het Tonlé Sap-meer, in het hart van Cambodja, is één van de rijkste
binnenwateren ter wereld, maar wordt getekend door ecologische verwaarlozing en
botsende belangen van commerciële vissers en lokale vissersgemeenschappen. FOS
heeft dan ook FACT (Fisheries Action Coalition Team) opgenomen als
partner in het nieuwe programma. FACT is een netwerk van internationale en
lokale NGO’s én de lokale vissersgemeenschappen. De ondersteuning van FOS gaat
voornamelijk naar de organisatie van de lokale gemeenschappen en de versterking
van hun vertegenwoordigende structuren.
Nieuw
kantoor
In de
voorbije jaren werd duidelijk dat de lokale NGO’s en basisorganisaties die
actief zijn in de FOS-sectoren, naast financiële ondersteuning ook heel wat
ondersteuning nodig hebben op het vlak van organisatieversterking, management
van de organisatie, lokale en internationale netwerking en inhoudelijke input.
Aangezien FOS tot dit jaar geen vertegenwoordiging had in Cambodja, was het
contact met de lokale partners beperkt tot occasionele dienstreizen en
communicatie op afstand. Door de afbouw van de werking in Vietnam, was het niet
mogelijk om het kantoor in Hanoi een regionale invulling te geven.
Daarom
heeft FOS besloten om bij aanvang van dit nieuwe programma een nieuw kantoor te
openen in Phnom Penh, de hoofdstad van Cambodja. Cambodja is een zeer arm maar
boeiend land, met prachtige mensen, die onze steun en aandacht zeker verdienen!
Op 27 maart van dit jaar publiceerde De Standaard een
reportage met de titel: ‘Het einde van de bananenrepubliek; Chiquita maakt recht
wat krom was’. In het artikel beargumenteert George Jaksch, vertegenwoordiger
van Chiquita in België dat de multinational sinds de jaren negentig een geheel
ander bedrijf is geworden, dankzij de opwaardering van normen als integriteit,
respect, opportuniteit en verantwoordelijkheid in de bedrijfsvoering.
De ervaringen van FOS en het ABVV-West-Vlaanderen, die
gezamenlijk de organisaties van bananenarbeid(st)ers in Honduras ondersteunen,
onderbouwen de stelling dat er sprake is van een structurele verandering in de
bedrijfsvoering van Chiquita, maar dat deze veranderingen niet zozeer worden
ingegeven door corporate responsability ten opzichte van de
arbeiders.
In de jaren negentig komen de grote bananenproducenten als
Chiquita steeds meer in opspraak vanwege de veelvuldige schendingen van
arbeidsrechten. Eén van de meest gekende voorbeelden zijn de gevolgen van het
grootschalig gebruik van bestrijdingsmiddelen op de gezondheid van de arbeid(st)ers
en hun familie. De verantwoordelijkheid van de multinationals wordt vastgesteld
en leidt tot de veroordeeld tot uitkering van enorme schadevergoedingen aan de
getroffenen. De druk op de multinationals wordt nog verder opgevoerd door
campagnes in Europa over de arbeidsomstandigheden en de introductie van
ecologisch en sociaal verantwoorde bananen.
Drastisch
Het is evident dat deze situatie Chiquita dwong tot
drastische veranderingen, mede gezien het perspectief van de opening voor
dollarbananen op de Europese markt vanaf 2005. Wat houden die veranderingen
voornamelijk in?
1) Afstoting van de productie. Het grootste deel van de winst
op de bananen wordt behaald in de handel en verkoop. De productie van bananen is
bedrijfsmatig minder interessant en is juist de schakel die in het verleden in
opspraak is gekomen door de schendingen van arbeidsrechten. De eenvoudigste
oplossing is de afstoot van productieve taken en daarmee ogenschijnlijk ook de
verantwoordelijkheden aan nationale bananenproducenten. In de jaren vijftig
werkten er nog tienduizenden arbeid(st)ers op de plantages van Chiquita. In 1998
waren dit er nog 12 000, en anno 2003 zijn dit er 2000.
2) Geografische verschuiving: de afstoting van de productieve
taken heeft een ander belangrijk voordeel. De multinational kan vrij beslissen
uit welk land zij haar bananen betrekt, hierbij geholpen door de afschaffing van
de quota’s per land door de Europese Unie. Deze situatie heeft geleid tot een
enorme verschuiving van de bananenproductie van een land als Honduras, naar
bijvoorbeeld Ecuador, dat op dit moment meer dan 150.000 bananenarbeid(st)ers
telt. Dat deze beslissing niet is geïnspireerd door respect en
verantwoordelijkheid voor arbeidsrechten blijkt uit het feit dat in Ecuador van
de 150.000 arbeid(st)ers er welgeteld 1650 zijn georganiseerd in een vakbond.
Druk
Het zijn juist de vakbonden in de sector die met behulp van
internationale steun hebben getracht aan deze situatie het hoofd te bieden. Dit
betekende in eerste instantie het versterken van de samenwerking op
internationaal vlak. Hiervoor werd de Latijns-Amerikaanse Coördinatie van
Bananensyndicaten COLSIBA opgericht. COLSIBA slaagde er dankzij internationale
druk in om met Chiquita afspraken te maken over arbeidsnormen op de eigen
plantages én bij de toeleverende producenten. Dit akkoord dat op 14 mei 2001
werd ondertekend is het resultaat van internationale arbeidsstrijd en
solidariteit tussen arbeid(st)ers en consumenten en niet zoals Chiquita doet
voorkomen het resultaat van hun nieuwe bedrijfsvoering.
Record
Betekent dit akkoord het einde van de onderdrukking en
politieke macht van Chiquita? Helaas niet. Op 27 mei 2002, een jaar na de
ondertekening van voornoemde akkoord roepen de arbeid(st)ers van Chiquita in
Honduras een staking uit. De belangrijkste reden van de staking zijn de huid- en
oogirritaties als gevolg van het gebruik van een nieuwe insecticide met de naam
‘Clorpirifos’. Reeds de volgende dag benoemt de Hondurese Minister van
Arbeid een commissie bijeen die in de recordtijd van één dag tot de conclusie
komt dat het genoemde bestrijdingsmiddel niet schadelijk is voor de gezondheid
en die daarop de staking illegaal verklaart. Ter illustratie: het middel
Clorpirifos is in Europese landen verboden, vanwege risico’s voor de mens, de
geringe afbraak van residuen in de grond en de giftigheid voor dieren en planten
in het water.
Deze voorbeelden geven aan dat uitbuiting, corruptie en
onderdrukking niet terug kunnen worden gebracht tot ‘individuele onbedoelde
fouten’. De bedrijfsvoering van Chiquita blijft gericht op economische winst,
maar met een geringer risico voor haar imago. De nieuwe gedragscode van Chiquita
lijkt vooral een instrument om de kromme reputatie van de multinational in de
publieke opinie wat rechter te maken. Dat dit instrument niet ondoeltreffend is
heeft de Standaard met haar reportage nog eens duidelijk aangetoond.
Harry Oostingh
Landencoördinator Centraal-Amerika en Cuba
Werknemers krijgen in heel wat
ondernemingen werkkleding van hun werkgever, zoals overalls, veiligheidskleding,
schorten, hemden en broeken, T-shirts.
Een vakbondsactie
Het ABVV lanceert de actie ‘Schone Kleren op het Werk’ in
samenwerking met het ACV. Dit gebeurt zowel in privé- als in overheidsbedrijven.
Concreet bekijken werknemers welke werkkleren ze dragen. Via de geschikte
vakbondsorganen vragen ze aan hun werkgever of die kleren in goeie
omstandigheden werden gemaakt. En in de bedrijven waar werkkleding gemaakt
wordt, wil men ook vragen hoe het zit met de productie in het buitenland en de
arbeidsomstandigheden daar. De vakbonden versterken met deze actie de Schone
Kleren Campagne, vooral dan vanuit hun specifieke rol in de onderneming.
De actie Schone Kleren op het
Werk richt zich tot:
1.
Bedrijven waar er werkkleding gebruikt wordt. We vragen dat die bedrijven voortaan
schone arbeidskleding bestellen.
2.
Overheidsdiensten.
We vragen dat de overheid als voorbeeldconsument zeker schone werkkleren
bestelt.
3.
Bedrijven die betrokken zijn bij de levering van werkkleding,
zoals producenten, linnenverhuurders en distributeurs. We vragen dat ze
voortaan schone werkkleren leveren.
Nu al
horen we van verschillende kanten dat de vraag naar ‘schone werkkleren’ de
Belgische bedrijfswereld bereikt heeft en er zijn positieve reacties van een
aantal leveranciers van werkkleding. In deze richting willen we verdergaan :
geïnteresseerde bedrijven aanmoedigen en ondersteunen om met ‘schone werkkleren’
op de markt te komen. Dat is misschien nog niet voor morgen, maar het
belangrijkste is dat er aan gewerkt wordt.
Schone Kleren Campagne
De
voorbije jaren heeft de Schone Kleren Campagne een doorbraak gerealiseerd op het
vlak van sensibilisering en publieke opinie, het dagelijkse actieterrein van de
sociaal-culturele organisaties en de derdewereldbeweging. Dankzij de Schone
Kleren Campagne werken vakbonden, derdewereld- en sociaal-culturele organisaties
samen rond het moeilijke thema van arbeid en globalisering. En ze richten zich
met consumentenacties rechtstreeks tot het bedrijfsleven.
Bij de deelnemers aan de campagne leeft nu sterk de
verwachting dat we de resultaten op dit terrein omzetten in resultaten op het
bedrijfsvlak, het dagelijkse actieterrein van de vakbond. Bij verschillende
bedrijven op de Belgische kledingmarkt stellen we momenteel vast dat het thema
‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ inderdaad leeft en dat ze op zoek zijn
naar manieren om in te spelen op deze tendens. Dit gaat verschillende richtingen
uit: sociale projecten steunen, een gedragscode aannemen, een verantwoordelijke
binnen het bedrijf aanduiden voor deze problematiek, een controledepartement
oprichten, NGO’s uitnodigen voor bedrijfsbezoeken. En er wordt ook stevig
geïnvesteerd in bedrijfscommunicatie over dit thema via folders voor de
consument, jaarlijkse rapporten, deelname aan conferenties en debatten. Daarbij
rijst de vraag of uiteindelijk niet meer geïnvesteerd wordt in marketing dan in
beleid en praktijkmaatregelen.
1 mei – hét feest van de internationale solidariteit - is
weer achter de rug. Ook FOS bleef die dag niet bij de pakken zitten. Naar goede
gewoonte steken we dan immers van wal met onze jaarlijkse 1 mei-campagne. Die
staat dit jaar in het teken van solidariteit met de arbeidsters in maquila’s en
vrijhandelszones in heel de wereld. Meer informatie over onze 1 mei-campagne kon
u al lezen in het vorige nummer van Kort Verslag.
Op tal
van plaatsen in Vlaanderen waren we aanwezig om onze campagne nader toe te
lichten. Het startschot gaven we op 24 april, met onze eigen
solidariteitsmaaltijd voor ruim 170 eters in Brussel. Op 1 mei zelf waren we -
in verspreide slagorde - aanwezig in Diest, Lommel, Mechelen, Mortsel, Kortrijk
en Oostende. We gaven er tekst en uitleg over onze activiteiten, deelden folders
uit en verkochten er ‘jaja’s’. In Mortsel en in Lommel stond er bovendien een
solidariteitsmaaltijd op het menu. Daar doken we mee de keuken in. Zo slaagden
we er met z’n alleen weer in het begrip ‘internationale solidariteit’ weer wat
meer inhoud te geven.
Was u er op 1 mei niet bij? Onze campagne blijft lopen. En uw
solidariteit betuigen kan uiteraard nog altijd: www.fos-socsol.be
Op zaterdag 22 maart werd er in Berlaar een sterk staaltje
van internationale solidariteit getoond. De mutualiteit van Mechelen-Turnhout
slaagde erin een bruisend ‘Werelddagje gezond’ op het programma te plaatsen, in
het teken van ‘gezondheidspromotie in Noord en Zuid’. Een gezonde leefstijl en
omgeving zijn immers van groot belang. Maar toegang tot gezondheid is niet
steeds even makkelijk. Derdewereldlanden worden immer nog steeds geconfronteerd
met een tekort aan basisgezondheidszorg. Naar een dokter gaan is voor de
plattelandsbevolking niet vanzelfsprekend. Nochtans blijft men in het Zuiden
niet bij de pakken zitten. Zo is er bijvoorbeeld het project ‘Mutua del Campo’
in Nicaragua. Door de uitbouw van een mutualiteitsysteem kan de
plattelandbevolking terugvallen op een dokter en medicijnen als het nodig is.
De mutualiteit van Mechelen-Turnhout wil deze actie graag
ondersteunen door de opbrengst van de koffie-bar te schenken aan de Mutua del
Campo. Verder kon je kennismaken met een aantal doorlopende activiteiten zoals
een fototentoonstelling over de Mutua del Campo, driedimensionele kijkdozen over
mensen met een handicap in Noord en Zuid, Cubaanse Salsa voor beginners, een
tango-initiatie. Ook voor de kinderen was het een solidariteitsfeest, ze konden
genieten van een Vietnamese poppenkast en mochten zelf Afrikaans speelgoed
maken.
Een film van Patricio Guzmán op video, met
brochure met achtergrondinformatie
110 min, Nederlandse ondertiteling
In september 1998 bezoekt de Chileense senator voor het leven
en dictator op rust Augusto Pinochet Londen. Pijn in de rug brengt hem naar het
ziekenhuis. Amper uit de narcose ontwaakt, arresteert Scotland Yard hem op
verdenking van overtreding van de VN-conventie aangaande marteling, terreur en
genocide. Sinds 1973, het jaar van Pinochets bloedige coup tegen president
Salvador Allende, hebben Chileense burgers duizenden dossiers verzameld over
willekeurige arrestaties, martelingen, verdwijningen en executies. Dat
archiveren heeft evenwel geen enkele vrijlating van gevangenen opgeleverd, geen
enkele veroordeling van moordenaars, en het heeft evenmin geholpen één enkel
'vermist' persoon terug te vinden. Ook niet toen de dictatuur in 1989 ophield te
bestaan en de Chileense rechtbanken formeel weer onafhankelijk werden.
In El caso Pinochet volgt Patricio Guzmán de
verwikkelingen na Pinochets arrestatie. De vraag of door een veroordeling van
Pinochet gerechtigheid zal geschieden, geeft de film de dynamiek van een
juridische thriller. Guzmán verweeft in de voortgang van het juridische gevecht
enkele bloedstollende getuigenissen van slachtoffers van de terreur, voor wie de
zaak Pinochet erkenning van hun leed betekent en een begin vormt van het
herwinnen van hun eigenwaarde.
Nergens veilig
De getuigenissen van de slachtoffers zijn
indrukwekkend en geven een goed beeld van het leed dat Pinochet en zijn
volgelingen hebben veroorzaakt.
Na deze reportage is het duidelijk dat geen
enkele dictator ongestraft een groot deel van zijn eigen bevolking kan
onderdrukken. Nergens op de wereld mogen misdadigers zoals Pinochet veilig zijn,
zij moeten zich voor een rechtbank verantwoorden voor hun daden.
Voor wie?
Voor iedereen vanaf 16 jaar
Wat je moet betalen
De videofilm huren kost 2,50 euro voor een week.
Bij de film krijg je een brochure met
achtergrondinformatie.
Vanaf mei kan je je abonneren op niet minder van drie
elektronische nieuwsbrieven : over arbeid, over gezondheid en over duurzaam
beleid. Vier keer per jaar krijg je in de brievenbus van je PC een bericht over
deze thema’s, natuurlijk vanuit een Noord-Zuidinvalshoek. Zo blijf je op de
hoogte.
Interesse? Mail gewoon even je elektronische adres door naar
edu@fos-socsol.be
FOS zegt daarop alvast volmondig ‘jaja’. Want we vragen meer
respect voor de arbeidsrechten in de vrijhandelszones in heel de wereld.
Concreet vragen we: meer vakbondsvrijheid, meer collectief
overleg, meer loon, meer werkzekerheid, betere arbeidsomstandigheden, meer oog
voor veiligheid en gezondheid op het werk, striktere naleving van de
internationale gedragscodes, minder lange dagen, minder hoge werktempo’s, betere
betaling van overuren, stipte en volledige betaling van de lonen, meer
ziekteverzekering voor de arbeid(st)ers én voor hun kinderen, meer respect, meer
waardigheid, betere fysieke en psychologische behandeling, meer mogelijkheden
voor vrouwen om op te klimmen naar hogere posten, geen controle op zwangerschap,
recht op zwangerschapsverlof, betere sanitaire installaties…
Om onze campagne kracht bij te zetten, verkopen we jojo’s,
die we voor de gelegenheid jaja’s noemen. Want ‘jaja’, voor FOS mag het iets
meer zijn.
Steun de arbeiders en arbeidsters in de vrijhandelszones!
000-0000074-74
Onze partners verdienen uw steun!
Solidariteitsbon
Jaja, ik ben solidair met de arbeiders en arbeidsters in
vrijhandelszones.
Ik wil mee actie voeren. Bel
mij op om verder af te spreken.
Ik bestel … jojo’s aan 2 euro
per stuk. Ik stort vandaag nog … euro op rekeningnummer 000-0000074-74 met
vermelding ‘jaja’. De jojo’s worden opgestuurd na ontvangst van de betaling.
Naam en voornaam:
Straat en nummer:
Postcode en gemeente:
Leeftijd:
Telefoon:
Stuur deze bon naar FOS -
Socialistische Solidariteit, Grasmarkt 105/46 in 1000 Brussel. Of bel
02/552.03.00. Je kan ook faxen op 02/552.02.96 of een e-mail sturen naar
an.vandevelde@fos-socsol.be.
191
landen ondertekenden een akkoord om tegen 2015 de
armoede in de wereld te halveren.
Voer samen met de Vlaamse Noord-Zuidbeweging actie
om de politici aan hun belofte te herinneren én de
lat hoger te leggen.
Armoede moet de wereld uit!